Het zaaien van groenten

Wat heb je nodig om te zaaien?

1. Zaden:

Zaad is een levend product. Bij de aankoop van onze zaden, selecteren wij heel zorgvuldig uit een ruim aanbod van diverse zaadleveranciers. De kwaliteit wordt in kiemproeven en veldproeven gecontroleerd. Gemiddeld zullen 80-85% van de zaden kiemen. Bij het kiemen van zaden hebben de volgende factoren een zeer grote invloed: zaaigrond, water, licht, zuurstof en warmte.

2. (Zaai)grond:

Bij het zaaien in een zaaibakje of in potten, gebruik je zaaigrond. Deze is speciaal samengesteld en is goed luchtig zodat er een beter wortelvorming is. Hij bevat voldoende voedingsstoffen voor de eerste weken van de jonge zaailingen. Een universele of andere potgrond bevat soms te veel meststoffen. De tere worteltjes van de kiemplantjes kunnen hierdoor verbranden. Je hoeft dus geen extra meststoffen te geven bij het zaaien.
Je kan ook in vermiculiet zaaien. Bij vermiculiet is de vocht- en luchtbalans perfect: de zaadjes zullen dus makkelijk kiemen. Omdat vermiculiet steriel is, kan het dus niet schimmelen. Het bevat geen meststoffen, laat dus de kiemplantjes niet te lang staan in dit substraat. Zodra de jonge plantjes voldoende groot zijn om te verspenen of te verplanten, haal je ze heel makkelijk uit het zaaibakje.
Bij het zaaien in volle grond, zorg je voor een proper grondoppervlak, zonder onkruid. Maak de grond fijn en los.

3. Water:

Water is één van de belangrijkste factoren om de zaden te doen kiemen. De zaaigrond dient vochtig te blijven maar niet nat (uitgezonderd waterkers). Te veel en/of te koud water kan echter aanleiding geven tot bodemschimmels en het wegrotten van de zaden of kiemplantjes.
Als eerste stap zal het zaad beginnen water opnemen. Denk maar aan het voorkiemen van bonen. Eens de kieming begonnen is, kan een droogteperiode het zaad gemakkelijk kapot maken.
Het voorweken van zaden voor het kiemen kan de kieming van de zaden bevorderen waardoor ze beter en sneller kiemen. Dit geldt vooral voor de grovere zaden zoals bonen, erwten,…

4. Zuurstof:

Het kiemen van zaden is een levend proces. Zaden moeten dan ook over voldoende lucht beschikken. Daarom is een losse zaaigrond zeer belangrijk. Bij gebrek aan zuurstof door een te hard aangedrukte of te natte grond, kan de kieming niet plaatsvinden en sterft het zaad af.
Op zware grond, zoals kleigrond, mag je daarom perliet of zand toevoegen.
Lichte zandgrond houdt geen vocht vast. Daarom is toevoeging van bentoniet aan te bevelen.

5. Warmte:

Temperatuur heeft een grote invloed op de opkomst, het kiemingspercentage en de kiemsnelheid van de zaden. Er is echter een groot verschil tussen verschillende soorten zaden. Bij elke zaadsoort vermelden we daarom de nodige zaaitemperatuur.

Zaaitechnieken

Hieronder vind je de meest courante zaaitechnieken voor een verzekerd succes bij het zelf zaaien van groenten. Volg voor elke groente de gepaste zaaimethode zoals vermeld bij het product.

1) Zaaien binnenshuis of in een verwarmde serre in een zaaibakje:

Om binnenshuis te zaaien, gebruik je best een zaaibakje gevuld met vochtige zaaigrond. Strooi de zaden zo gelijk mogelijk uit. Bedek met zaaigrond zodat de zaden op de aangegeven zaaidiepte liggen en druk licht aan. Zorg voor een zo constant mogelijke temperatuur, dit geeft een betere kieming. Denk ook aan de nachttemperatuur van de centrale verwarming! Dek het zaaibakje af met huishoudfolie of een deksel. Houd na het zaaien en tijdens het kiemen de grond vochtig met een vernevelaar.
Ga verder naar 2)*

2) Zaaien onder koud glas in een zaaibakje of in potjes:

Zaai in de aangegeven periode in een zaaibakje of in potjes gevuld met vochtige zaaigrond. Strooi de zaden zo gelijk mogelijk uit. Bedek met zaaigrond zodat de zaden op de aangegeven zaaidiepte liggen en druk licht aan. Zorg voor een zo constant mogelijke temperatuur, dit geeft een betere kieming. Dek het zaaibakje af met huishoudfolie of een deksel. Houd na het zaaien en tijdens het kiemen de grond vochtig met een vernevelaar.

Houd rekening met temperatuurschommelingen tussen dag en nacht. Als overdag de zon schijnt, is het snel 30 graden, terwijl ’s avonds de temperatuur kan dalen tot onder de 10 graden. Warmteminnende gewassen zaai je daarom bij voorkeur binnen bij een constante warmte.

*Zodra de jonge zaailingen opkomen, mag je de huishoudfolie of het deksel beetje bij beetje verwijderen.
Wanneer aan de kiemplantjes de eerste 2 echte blaadjes verschijnen, mag er verspeend worden. Met verspenen wordt bedoeld, het overzetten van de plantjes in een ander zaaibakje of potje op een grotere onderlinge afstand, ongeveer 5cm. Het doel hiervan is het verkrijgen van een sterker wortelgestel. Hiervoor gebruik je een verspeenstokje.

Vanaf begin mei mogen de jonge planten stilaan aan de buitentemperatuur wennen. Zet ze een week achtereen dagelijks wat langer buiten, zodat ze aan de weersomstandigheden kunnen wennen. Vermijd echter (nacht)vorst. Vanaf half mei mag je uitplanten op de definitieve plaats.
Ga verder naar 4)**

3) Zaaien op een zaaibed:

Kies voor een zaaibed een beschutte plaats in de halfschaduw. Maak de grond onkruidvrij, goed los en fijn.
Strooi de zaden zo gelijk mogelijk uit (breedwerpig) en bedek met grond zodat de zaden op de aangegeven diepte liggen.
Houd het zaaibed de eerste dagen vochtig en steeds onkruidvrij.
Na opkomst plant je de plantjes uit op hun uiteindelijke plaats van bestemming.
Ga verder naar 4)**

4) Zaaien ter plaatse:

Vele groenten worden direct in de volle grond gezaaid. Bescherm het zaaisel en de jonge plantjes tegen een late nachtvorst met een vliesdoek. Er wordt meestal gezaaid in rijtjes maar je kan ook breedwerpig zaaien.

Om ter plaatse te zaaien, maak je eerst de grond onkruidvrij, goed los en fijn.
Om in rijtjes te zaaien span je een touw of leg je een lat of plank zodat een mooi, recht geultje kan getrokken worden. Hierin kunnen dan de zaden gelegd worden.
Bedek de zaden nadien met een fijn laagje aarde zodat ze op de aangegeven diepte liggen.
Druk aan met een hark of een plankje. Begiet heel voorzichtig of benevel met de tuinslang.
Zet aan het begin van de rij een plantenetiket met de naam van de groente.

**Houd rekening met de aanbevolen plantafstanden. Met de vermelding (bijvoorbeeld) 40 x 30cm wordt bedoeld: een afstand tussen 2 rijen van 40cm, en een afstand tussen 2 plantjes van 30cm. Het eerste getal wijst op de afstand tussen de rijen. Het tweede getal wijst naar de afstand tussen 2 planten.

Terug naar alle groenten.

Teeltplan en vruchtwisseling

Om te zorgen dat je moestuingrond gezond blijft, is het aanbevolen elk jaar vruchtwisseling toe te passen. Hiermee wordt bedoeld, dat je op een stuk grond elk jaar een ander gewas moet telen. Ook is vruchtwisseling belangrijk voor de bodemvruchtbaarheid, de bodemstructuur en het onderdrukken van onkruid. Het ene gewas is een betere voorvrucht dan het andere, omdat bepaalde stoffen in de grond achterblijven of minder worden gebruikt. Zo laten vlinderbloemigen stikstof in de bodem achter. Gewassen die snel de grond bedekken werken onkruidwerend en diepwortelende gewassen verbeteren de bodemstructuur. Ook prei laat een goede bodemstructuur achter.

Voor een goede vruchtwisseling maak je een teeltplan met een vruchtwisselingsschema. Hierbij worden de groenten in groepen ingedeeld en aangegeven wordt welke gewassen elkaar opvolgen. De cyclus kan bijvoorbeeld bestaan uit 4 jaar. Daarom worden groenten in groepen verdeeld. Onderstaande groepen dien je steeds wisselend te zaaien.

1. BLADGROENTEN: sla, spinazie, kool en andere groenten, waarvan de bladeren worden gegeten, maar ook bloemkool, knolselderij en prei. Bladgroenten vragen vrij veel stikstof. Veel stikstof geeft een zeer goede groei. Een overmaat aan stikstof geeft echter ook meer kans op ziekten zoals rand bij sla, andijvie. Op een grond die heel veel zouten (de restanten van meststoffen) bevat, treedt dikwijls rand op.

2. WORTELGROENTEN: bieten, wortelen, koolrapen en andere groenten, waarvan de wortels worden gegeten, groeien best op niet te rijke gronden omdat ze anders te veel blad en te weinig ‘wortel’ gaan ontwikkelen. Geef wortelgroenten geen verse stalmest in het voorjaar om ziekten en plagen te vermijden. Wel dien je ook hier de nodige aandacht te geven aan de kaliumbemesting.

3. PEULVRUCHTEN: bonen, erwten en peulen. Deze groenten zijn in staat om zelf N (stikstof) uit de lucht te fixeren in de bodem. Ze hoeven niet extra bemest te worden. Door deze eigenschap is de grond na de teelt van peulvruchten rijker aan N dan vóór de teelt.

4. VRUCHTGROENTEN: komkommers, tomaten, augurken en pompoenen hebben een zeer grote behoefte aan voeding. Zij doen het goed op een bodem die rijk is aan organische bemesting en kunnen dan een heel seizoen lang teren op de langzaam vrijkomende stikstof. Voor het bekomen van stevige vruchten en om de vruchten lang te kunnen bewaren mag je tijdens het afrijpen wat extra kaliummeststof toedienen. Wie aardbeien wil planten, mag ze in dit stukje van de tuin zetten.

5. KOOLGROENTEN: Koolgewassen worden wegens het risico op knolvoet, een bacterieziekte die alle groenten uit de kolenfamilie kan aantasten, best op een apart perceeltje geteeld. Eens aangetast kan de bacterie tot wel 15 jaar overleven in de grond. Kolen hebben een grote voedingsbehoefte en geven de voorkeur aan een wat hogere pH-waarde en vragen dus een portie kalk in het voorjaar.

6. AARDAPPELEN

Pillenzaden

Bij kropsla, prei en wortelen was het tot nu toe gebruikelijk om na de opkomst uit te dunnen of te verspenen. Dit moest gebeuren om een goede, gezonde en stevige plant te krijgen.
Het gebruik van pillenzaden is zeer interessant omdat je niet meer hoeft uit te dunnen of te verspenen. Een ander voordeel is de zichtbaarheid. Door de lichtgrijze omhulling is het reeds gezaaide zaad zeer goed zichtbaar en heb je een goed overzicht op de voortgang van het zaaien.

Prei en kropsla kunnen onder glas in perspotjes of direct ter plaatste gezaaid worden, terwijl wortelen steeds direct ter plaatse in de vollegrond op eindafstand worden gezaaid.

Voor een goed resultaat zaai je niet dieper dan 1cm en zorg voor een goed losse, vochtige grond.

Terug naar alle groenten.